dinsdag 7 mei 2013

Koningslied of The Sound of Music?


Wie op 30 april voor de televisie zat om naar de inhuldiging van de nieuwe vorst te kijken, kreeg ’s avonds de boodschap onophoudelijk ingehamerd: een nationaal feest is per definitie een maritiem feest. André Rieu, die het koningsbal opent met Piet Hein zijn naam is klein en natuurlijk de Koningsvaart, die maritieme apotheose van een dag die ’s ochtends vroeg al begon met 101 saluutschoten van (toen nog) Hare Majesteits ‘Evertsen’ op het IJ. Het was weer voor iedereen duidelijk: Nederland ontleent zijn identiteit voor een groot deel aan zijn haat-liefde verhouding met het water.

Die maritieme identiteit staat ook centraal in alweer het zesde gezamenlijke jaarboek dat eind dit jaar door het Scheepvaartmuseum Amsterdam en het Maritiem Museum Rotterdam wordt uitgebracht. Een definitieve titel moet nog worden verzonnen, maar de centrale vraag is inmiddels geformuleerd: “In hoeverre en op welke wijze komt de Nederlandse identiteit terug in maritieme feesten en vermaak aan boord?”, of anders gezegd: “In hoeverre (op welke wijze) dragen maritieme feesten en maritiem vermaak aan boord bij aan de ontwikkeling of bestendiging van de nationale identiteit?”
Zo’n vraagstelling is stevige kost en er is lang over gediscussieerd voordat-ie uiteindelijk op papier stond. Inmiddels zijn de eerste versies van de artikelen bij de redactie gearriveerd en worden de contouren van het boek duidelijk. Herdenkingen van grote zeehelden, spiegelgevechten op het IJ in de zeventiende eeuw, de Toppers op een maritieme zegewagen in de Amsterdam Arena – allemaal maritiem spektakel, bedoeld om een bepaald wij-gevoel te kweken. Ook de spelletjes en spelen aan boord komen uitgebreid aan bod, waarmee een stukje vaderlandse bodem en vaderlandse tradities op zee levend worden gehouden in verre streken. Al met al een gemêleerd aanbod aan bijdragen, waarin de maritieme symboliek als ondersteuning van de Nederlandse identiteit centraal staat. In november verschijnt het boek – mét een pakkende titel!

En over symboliek gesproken: vond u, kijkend naar de Koningsvaart op het IJ, de overeenkomst tussen het Koninklijk Gezin en de vluchtende familie Von Trapp uit the Sound of Music ook zo frappant? Het Republikeins Genootschap kan daar nog heel wat moed uit putten voor de toekomst…

maandag 22 april 2013

Werk aan de winkel


Wie mocht denken dat er nu helemaal niets meer aan boord van de ‘Buffel’ te doen is, komt bedrogen uit. De maandag na de sluiting was het gelijk al een drukte van belang. Er moest worden opgeruimd, allerlei dingen moeten worden vastgezet, vastgesjord of gezekerd voor de overtocht en de modellen en andere museumobjecten moeten tijdelijk van boord worden gehaald totdat het schip op zijn nieuwe ligplaats in Hellevoetsluis is afgemeerd.

Het schip zal eerst bij een Rotterdamse werf een dokbeurt ondergaan. Daarbij wordt de romp “geknipt en geschoren”: alle vuil en aangroeisel die zich in de loop van de jaren onder de waterlijn op de romp hebben vastgezet, zal worden verwijderd. Ook moet de romp in zijn geheel worden geïnspecteerd, want het gebeurt niet zo vaak dat je er bij kunt zonder een duikerpak aan te hoeven trekken.

Het gehele interieur moet in vele tientallen foto’s worden vastgelegd, zodat voor de bruikleengever – het Maritiem Museum – en de bruikleennemer – de nieuw opgerichte beheersstichting – duidelijk vastligt welke spullen zich precies aan boord bevinden en op welke locatie. Dat is met alle losse spulletjes in de officiershutten, de longroom en de werkplaats nogal een klus.

Het afscheid wordt ongewild gerekt, omdat het allemaal langer duurt dan voorzien voordat de kade in Hellevoetsluis gereed is om het schip te ontvangen. Daarom ligt de ‘Buffel’ nog steeds bij het Maritiem afgemeerd. Het gewone onderhoud loopt dus ook door en de technische dienst is de afgelopen tijd dan ook bezig geweest met het opnieuw in de verf zetten van de romp en de schoorsteen. Want al laten we de ‘Buffel’ met bloedend hart naar Hellevoetsluis vertrekken: ze blijft toch een beetje van ons en we blijven er wél zuinig op!

maandag 15 april 2013

Oude meesters en lekkere hapjes


Dé culturele gebeurtenis van de afgelopen maanden was uiteraard de feestelijke heropening van het Rijksmuseum. En zoals dat gaat bij dergelijke grote gebeurtenissen, werd in de afgelopen weken weer op pijnlijke wijze duidelijk hoe de maatschappelijke waterscheiding in cultureel Nederland liep tussen de mensen “die er toe doen” en de mensen die dat klaarblijkelijk niet doen. Om concreet te worden: tussen de uitverkorenen die een uitnodiging voor één van de vele voorbezichtigingen hadden ontvangen en zij die daarvan verstoken waren gebleven.

Tot zijn niet geringe verbazing (en niet alleen die van hem…) bleek yours truly tot de eerste categorie te horen. Zo mochten we met enkele collega’s de dinsdag voor de officiële opening met pakweg zo’n tweeduizend andere gelukkigen een kijkje komen nemen in “het Nieuwe Rijks”. Dankzij de zorgvuldig opgebouwde publiciteitscampagne waren de verwachtingen hoog gespannen en – believe you me – alle superlatieven bleken waar te zijn. Het veelbesproken grijs van de wanden was majestueus grijs, de Hollandse Meesters hingen weer in volle glorie te pronken, de kunstnijverheid stond gezellig tussen de kunst zonder nijverheid en in de zalen was het een soort doorlopende reünie van oud-collega’s van vroegere werkkringen en andere mensen die je soms in geen eeuwen had gezien. Sommigen bleken geen spat veranderd, anderen waren duidelijk op weg om zelf oude meesters te worden.

In het Atrium – dé revelatie van de renovatie – werden we gastvrij ontvangen door dames met aandachttrekkende hoedjes, die de inwendige mens verzorgden. Om de dichter Willem Kloos te parafraseren: Cultuur is mooi, maar je moet er wel iets te drinken bij hebben.

En uiteraard waren we nieuwsgierig naar de Marinemodellencollectie, die – na een marginaal bestaan van jaren in de oude presentatie – nu de ruimte krijgt in de speciale opstellingen in de kelder. Tussen de gewelven is de rijkdom van deze verzameling modellen en maquettes, het neusje van de zalm op maritiem gebied en het visitekaartje van negentiende-eeuws Hollands maritiem-technisch vernuft, royaal gepresenteerd. Een opstelling die in veel opzichten aan die in het Antwerpse MAS doet denken (maar dan mét glazen wanden en zonder de op de zenuwen werkende signaalbeveiliging) en die de liefhebbers doet watertanden.

We komen zeker nog vele malen terug in het Rijks, maar die sensationele ervaring dat je in je eentje voor het Straatje van Vermeer, voor de Staalmeesters en voor het Joodse Bruidje hebt gestaan, zul je als gewone bezoeker waarschijnlijk nooit meer hebben…


En uiteraard is niets menselijks ons vreemd. Het aanbod van een collega om ons voor de Nachtwacht op de foto te zetten, konden hoofd Informatiebeheer Ben en yours truly zich uiteraard niet laten ontglippen. Tóch jammer dat de flitser van de camera niet was uitgeschakeld: de suppoosten die op zaal stonden waren bepaald niet geamuseerd!

Zie voor meer informatie over het Rijksmuseum: www.rijksmuseum.nl.

maandag 8 april 2013

Vikingen en zeekastelen


Inmiddels weet heel Rotterdam en omstreken dat het Maritiem Museum een nieuwe tentoonstelling over cruisevaart heeft geopend. Tijdens het museumweekend namen ruim zestienhonderd bezoekers al een kijkje, die zich uitleefden bij de dekspelen, zich aan de hand van acteurs lieten meevoeren bij de droomwereld van de cruisevaart en hun ogen uitkeken bij de dansdemonstraties van de lindy hop – zoals die oude dame met rollator die de lindy hop misschien in haar jeugd ook wel had gedanst en die er eens goed voor ging zitten.

Zaterdagavond was het museum ook open, maar dan niet voor reguliere bezoekers. Net als vorig jaar organiseerde het Maritiem Museum onder de titel Dreamnight at the Museum een speciale openstelling voor chronisch zieke en gehandicapte kinderen en hun families. Het hele museum stond voor ze open en een groot aantal collega's verleende geheel belangeloos en op vrijwillige basis zijn medewerking. Alle fijne kneepjes van het maritieme vak werden de jonge bezoekertjes bijgebracht, van het maken van zeemansknopen, het “loden” van de diepte met een echt dieplood (vanaf de eerste verdieping naar de begane grond) en het tekenen van een scheepsmodel (nog lang niet zo makkelijk...), tot het maken van het langste maritieme schilderij van Nederland. In de hal stond een echte deck chair en een namaak palmboom en wie dat wilde kon, geschminkt en wel, als een echte cruisepassagier op de foto.

Behalve met jeugdige bezoekers en aanhang was het museum gevuld met vervaarlijk uitziende Vikingen. Die hadden weliswaar niets met cruisevaart te maken, maar pasten wel weer goed bij het thema piraterij van onze thematentoonstelling “Echte piraten”. Ze demonstreerden hoe er in de Vikingtijd leer werd bewerkt en hout werd gesneden, kleding werd vervaardigd en meer van die vreedzame karweitjes waarbij je nu niet direct aan Vikingen denkt. Ondanks hun vreeswekkende uiterlijk vielen ze in de omgang best wel mee.

Maar een Viking zou geen echte Viking zijn als hij niet af en toe lucht zou geven aan zijn diepere gevoelens. Met veel enthousiasme van beide partijen (Vikingen én kinderen) werd er geoefend in de primal scream – de Bloedstollende Originele Viking Oerkreet, die af en toe door het hele museum klonk. Met de boodschap om die Vikingkreet toch vooral thuis veel te oefenen goed in de oren geknoopt, keerden de bezoekertjes na afloop weer huiswaarts. Volgend jaar eens kijken of het oefenen resultaat heeft gehad!

donderdag 21 maart 2013

Is er leven na Frans?


U kent vast wel die omschrijvingen in personeelsadvertenties: “U bent een spin in het web van de organisatie”. Zo die kwalificatie op iemand van toepassing is, dan was het wel op onze zakelijk directeur Frans van Hamburg, die gisteren afscheid nam van het museum. Frans was oorspronkelijk afkomstig uit de bouwwereld, maar stapte in de jaren zeventig over naar de cultuursector. Hij was een aantal jaren verantwoordelijk voor de zakelijke leiding van het legendarische Lijnbaancentrum en na een tussenstap in het Wereldmuseum – toen nog Museum voor Volkenkunde – trad hij in 1988 in dienst van het Maritiem Museum als hoofd algemene zaken.
In zo’n hoedanigheid heb je met letterlijk alle facetten van de museumorganisatie te maken en die uitdaging was zeker aan Frans besteed. Hij stroomlijnde de werkprocessen binnen het museum en hield als financieel eindverantwoordelijke de hand stevig op de knip. Zijn groene paraaf betekende dat een nota betaald mocht worden. Als je de nota terugvond in je postvakje zonder die paraaf er op, had je wat uit te leggen…
Sommige leidinggevenden hebben de neiging om zich af te zonderen om hun werk in rust en beslotenheid te kunnen verrichten. Zo niet Frans. Frans resideerde in de kantoortuin op de tweede verdieping. Een strategische plaats, van waar hij zicht en oor had voor alles wat er gebeurde. Er was weinig wat aan zijn aandacht ontsnapte en er kon direct tekst en uitleg worden gevraagd als hij dat nodig vond. Frans hield ook van duidelijkheid. Als hij het ergens niet mee eens was, kon hij dat duidelijk over het voetlicht brengen. Dat kwam wel eens hard aan, maar hij had ook heel vaak gelijk. Kwam niet met smoesjes bij hem aan boord – als je een fout had gemaakt of een stommiteit had begaan, kon je dat het beste ruiterlijk toegeven. “Ik maak dagelijks fouten” zei hij dan en hielp vervolgens met het vinden van een oplossing.

Frans had een duidelijke visie op de rol van een museum. Een museum is er voor de bezoekers, of ze nu via de ingang komen of via de website. “Je kunt nog zulke lekkere pindakaas maken, maar je moet het ook kunnen verkopen” was een van zijn gevleugelde uitdrukkingen. En hij had er nogal wat.
Automatisering was Frans’ hobby. Waar ieder ander op vakantie ter ontspanning een stapel flodderromannetjes meeneemt, moet Frans ongetwijfeld een stapel automatiseringsboeken en handleidingen voor computerprogramma’s bij zich hebben gehad. Een project als Maritiem Digitaal, waarin ruim vijftien maritieme musea in binnen- en buitenland met elkaar samenwerken en hun collecties op internet presenteren, komt dan ook mede uit Frans’ koker. Op een aantal terreinen was hij velen van ons ver vooruit – soms tot wederzijdse frustratie, maar zo gaat dat nu eenmaal.
Hij was een groot voorstander van arbeidsmobiliteit, maar gaf ook altijd ruiterlijk toe dat hij daar zelf niet het meest aansprekende voorbeeld van was. En nu – na vijfentwintig jaar – is Frans weg.

Is er leven na Frans? Natuurlijk is er dat. Maar het zal – in velerlei opzicht – wel even wennen zijn…

woensdag 20 maart 2013

Drie generaties



Als je nu het depot binnenloopt en naar de uitlegtafels kijkt, zie je daar meer cruiseschepen liggen dan in Fort Lauderdale op een mooie dag in het vakantieseizoen. Voor de tentoonstelling “Zeekastelen” staan de modellen in het gelid, keurig opgeknapt en schoongemaakt, om naar de tentoonstellingsvloer te gaan.
En zo staan daar zusterlijk naast elkaar drie modellen van schepen uit ruwweg de tweede helft van de twintigste eeuw: de ‘Cunard Adventurer’ van de Cunard Line, de ‘Rotterdam’ (V) van de Holland-Amerika Lijn en de ‘Oosterdam’ van de Holland America Line.
Drie cruiseschepen van drie verschillende generaties. De ‘Rotterdam’ kwam in 1959 in de vaart, de ‘Cunard Adventurer’ in 1971. Beide schepen werden gebouwd bij de Rotterdamsche Droogdok Maatschappij. De ‘Oosterdam’ werd gebouwd in Italië in 2003 en is een typische representant van de “drijvende flatgebouwen” – compleet met balkons – die tegenwoordig de toon zetten in de cruisevaart.

Een bezoek aan de ‘Cunard Adventurer’ bij het 75-jarig bestaan van de RDM in 1977 was mijn eerste – en tot nu toe enige - kennismaking met een cruiseschip. Ik keek mijn ogen uit naar al die luxe. Nooit geweten dat tapijt zó hoogpolig kon zijn!
De oudjes doen het overigens nog best: waar de ‘Rotterdam’ ligt, weet inmiddels iedereen wel en ook de ‘Cunard Adventurer’ vaart nog steeds rond, zij het inmiddels voor de vierde opeenvolgende rederij en met de vierde naam.
Haar zusterschip, de in 1972 bij de Rotterdamse werf Piet Smit gebouwde ‘Cunard Ambassador’, verging het heel wat minder glorieus. Na een brand aan boord in 1974 werd het schip naar Denemarken verkocht en omgebouwd voor het transport van schapen – wat volgens sommige kwade tongen niet eens zo héél veel verschilt van het vervoer van cruisepassagiers. Na een tweede brand in 1983 werd de 'Cunard Ambassador' uiteindelijk in Taiwan gesloopt. Het is niet alles koek en ei in de cruisewereld…

Meer weten over de luxe, calme et volupté van de cruisevaart? De tentoonstelling Zeekastelen laat er vanaf 6 april aanstaande alles over zien!

maandag 11 maart 2013

Om te huilen...


The sky is crying… zong de beroemde Nederlandse bluesgroep Cuby & the Blizzards al in de jaren zestig en dat deed het ook jongstleden zaterdag. Uitgerekend op de dag dat het een etmaal onafgebroken regende, vond in Rotterdam de jaarlijkse Museumnacht plaats met als motto “Waterlanders”. En uiteraard droeg ook het Maritiem Museum zijn steentje – of beter gezegd: zijn traantje – bij. Gewapend met kaplaarzen, regenjacks, zakdoeken en andere middelen tegen emotionele wateroverlast stonden we weer met een aantal collega’s paraat om de bezoekers te ontvangen.

Binnen draaide dj Socrates tearjerkers uit het glorieuze popverleden, afgewisseld met live smartlappen van het duo Ut Gedonder. Op de tweede verdieping kon je “snifgedichten” schrijven op zakdoeken, de tien droevigste momenten uit de maritieme geschiedenis herbeleven, leren lachen (voor het tegenwicht) en zwijmelen bij oude afleveringen van de tv-serie Love Boat (weet u nog?). Op onverwachte momenten barstten mensen “spontaan” in huilen uit, waardoor sommige bezoekers danig van hun stuk werden gebracht. Wie toch nog iets cultureels wilde zien, kon terecht bij de speciale dansvoorstelling van studenten van Codarts in de presentatie Mainport Live en wie dorst kreeg van al het gehuil, kon zijn troost zoeken bij de Cocktailbus die na een jaar afwezigheid weer in de hal van het museum was geparkeerd.

Het meest confronterende onderdeel van het programma was echter de Klaagmuur. Bezoekers konden op een formuliertje schrijven wanneer ze voor het laatst hadden gehuild en waarom. Dat leverde een onthullend en in sommige gevallen onthutsend beeld op van de ellende die sommige bezoekers met zich meetorsen. Naast zaken als de onverwerkte dood van huisdieren (soms twee tegelijk), het universele gevoel “niet begrepen te worden” door de mensheid in het algemeen en je naasten of je leidinggevende in het bijzonder, was de categorie Persoonlijk Leed (met een hoofdletter L) in ruime mate vertegenwoordigd. Verstoorde familierelaties, verbroken verhoudingen, langdurige ziekten – het kon (uiteraard anoniem) via een briefje met alle bezoekers worden gedeeld. En dat gebeurde ook. De collega’s, die een oogje in het zeil (en op de muur) hielden, waren echt onder de indruk.

Maar om met een vrolijke noot te eindigen: het citaat van het jaar (zie mijn blog van 12 maart 2012) bij het opspelden van de speciale MMR-museumnachtbuttons kwam ditmaal van een mannelijke bezoeker: “Prik hem maar ergens, maar niet in mijn tepel, want daarin zit al iets anders!”