vrijdag 23 april 2010

"Een heel avontuur!"




“Een heel avontuur!“ Dat was de opmerking van een van onze vaste schilderijenrestauratrices, nadat ze op 15 januari jongstleden het eind vorig jaar in Londen gekochte schilderij van Thomas Luny (zie mijn blog van 18 december jongstleden) aan alle kanten had bekeken.
En dat sloeg niet op de gebeurtenis die op het schilderij is afgebeeld: de verovering van de laatste VOC-retourvloot door de Engelsen bij het eiland Sint Helena op 14 juni 1795. Die opmerking had betrekking op de staat waarin het schilderij verkeert en de behandeling die nodig is om het weer in een goede staat te krijgen.

Want een restauratie van een kunstwerk is net als de verbouwing van een oud huis: je hebt een bepaald plan voor ogen en je begint er welgemoed aan, maar je weet nooit wat je zoal tegenkomt. Nu onze restauratrice niet de eerste de beste. Ze werkt al jaren voor het Maritiem en heeft ook andere grote musea als opdrachtgever. Maar toch: het blijft altijd spannend, ook voor een ervaren restaurator.

Wat mankeert er zoal aan dit schilderij? Het eerste wat in het oog springt is de gelige kleur van de voorstelling, veroorzaakt door de verkleurde vernis. Olieverfschilderijen worden altijd van een beschermende vernislaag voorzien. Die zorgt ervoor dat de verf niet beschadigt en dat de voorstelling glans krijgt. Maar vernis vergeelt op den duur en het resultaat daarvan zien we hier. De lila en grijze tinten die in de lucht zitten worden door de gele vernis afgedekt, waardoor het schilderij er een beetje duf uitziet. Een vernisafname zorgt altijd voor een mooi effect, waarbij het net is alsof er een vitrage voor het schilderij wordt weggetrokken.

Maar met alleen het weghalen van de oude vernislaag zijn we er niet. Onder die laag kun je pas echt zien wat er met het schilderij aan de hand is. En daar beginnen dan ook de problemen. Zo is de verflaag tamelijk dun, bijvoorbeeld in de zee, waar het linnen van het schildersdoek doorheen is te zien. Dat is op zich niet zo erg, ware het niet dat het schilderij in de eerste helft van de twintigste eeuw al eens een keer is gerestaureerd. Daarbij is de oorspronkelijke vernislaag verwijderd, waardoor de verflaag op een aantal plaatsen is aangetast. De restaurator van destijds heeft geprobeerd daar wat aan te doen, door gedeeltelijke overschilderingen of retouches aan te brengen.
Op de lange duur gaan die retouches verkleuren en dat levert storende vlekken in de voorstelling op, die het kijkplezier niet bepaald verhogen.

Hoe erg de dunne verflaag is aangetast door de eerdere restauratie, is pas te zien als alle retouches zijn verwijderd. Alweer de analogie met een verbouwing: als het behang en het pleisterwerk is verwijderd, kun je pas goed zien hoe de muren er aan toe zijn.
Ook de tuigage van de schepen kan door de eerdere restauratie zijn aangetast en gedeeltelijk zijn weggepoetst. Dat hebben we meer aan de hand gehad. In het ergste geval roept de restauratrice dan de hulp van onze modelrestaurator in, om aanwijzingen te krijgen hoe de tuigage moet hebben gelopen zodat ze die kan reconstrueren.
Bij de restauratie worden de beschadigde delen in de voorstelling opnieuw geretoucheerd. Maar voordat dat gebeurt, wordt er eerst een beschermende vernislaag aangebracht over de oorspronkelijke voorstelling. Het wachtwoord hierbij is reversibiliteit: een mooi woord voor het uitgangspunt dat een restauratie altijd ongedaan moet kunnen worden gemaakt. Want ook een nieuwe vernislaag vergeelt op den duur weer en over een goede eeuw moet het schilderij ook een nieuwe restauratie overleven.

Uieraard worden ook de scheurtjes gedicht en opgevuld en worden de lelijke plekken geretoucheerd. Daarbij is het een voordeel dat het doek waarop de voorstelling is geschilderd, van goede kwaliteit is en dat het niet is “bedoekt”: er is niet aan de achterkant een tweede doek tegenaan gezet om het te verstevigen.
Als de restauratie is afgerond, wordt er weer een beschermende vernislaag aangebracht. Het schilderij ziet er dan weer uit als nieuw, waarbij u zich moet voorstellen dat de lucht wat meer lila zal kleuren en de zee wat grijzer. “De kleurnuances zullen weer beter in de voorstelling te zien zijn”, zoals het zo mooi in het restauratievoorstel wordt geformuleerd.

Ook de lijst zal worden gerestaureerd. De ouwetjes doen het toch weer best: het schilderij heeft nog de oorspronkelijke grenenhouten lijst en die verkeert op zich in een goede conditie, hoewel er de nodige onderdelen loszitten of ontbreken. “Mechanische schade” heet dat met een deftig woord, maar die is goed te verhelpen. De lijstenrestaurator maakt dan een mal van een stuk van de lijst dat er wél goed uitziet, en giet die vervolgens af in gips. Met die gegoten onderdelen worden de ontbrekende stukken weer aangevuld. De lijst wordt schoongemaakt, waarbij het ergste oppervlaktevuil wordt verwijderd. Oppervlaktebeschadigingen worden geretoucheerd en de inlijsting van het schilderij wordt verbeterd met stukjes beschermend vilt in de sponningen.

Als schilderij en lijst eenmaal zijn gerestaureerd, heeft het Maritiem Museum er weer een prachtig schilderij bij in de collectie. De uitkomst van de ontmoeting tussen de Engelsen en de Nederlanders in 1795 was misschien niet zoals we die hadden gewenst, maar onze nederlaag is in ieder geval mooi uitgebeeld. En daar zullen we het dan maar mee doen.

vrijdag 9 april 2010

Fotogeniek




Nee, ik bepaald niet, hoewel de foto in het laatstverschenen nummer van het Magazine misschien die indruk zou kunnen wekken (voor wie nieuwsgierig mocht zijn: nummer 5, maart 2010, pagina 6). Ik heb het over onze collectie. Met grote regelmaat zijn we in het depot bezig met het (laten) fotograferen van museumobjecten. De depotbeheerders maken zelf documentatiefoto’s met de digitale camera van de afdeling. Die afbeeldingen worden gekoppeld aan onze registratiedatabase en zijn alleen bedoeld om een voorwerp snel te kunnen herkennen als je achter je computer iets opzoekt. Handig en snel klaar.
Aan foto’s voor presentatiedoeleinden zoals Maritiem Digitaal en voor het gebruik in boeken en drukwerk worden echter hogere eisen gesteld. Daarvoor maken wij gebruik van de diensten van twee vaste fotografen: Jean (“Peter” voor intimi) en Eric. Ze komen op afroep langs, gewapend met grote tassen met dure digitale camera’s, een hele batterij objectieven, kolossale studiolampen, zware statieven en eindeloos lange snoeren om dat alles met elkaar te verbinden. Het is prettig werken met die jongens. Ze komen hier al jaren en weten onderhand wel hoe het museum zijn spullen gefotografeerd wil hebben. Er is een speciale “fotohoek” in het depot, waar de fotograaf dan een ochtend of een hele dag zijn gang kan gaan. De depotbeheerders en ik hebben van te voren alle te fotograferen spullen al klaargezet, –gelegd of –gehangen. Tekeningen, schilderijen, atlassen, scheepsmodellen – alles passeert de lens van de fotograaf.
Soms moeten daarvoor halsbrekende toeren worden uitgehaald. Grote kaarten of atlassen kunnen niet verticaal tegen de wand worden bevestigd voor een foto. Die moeten op de vloer worden gelegd. De fotograaf zet dan zijn statief in de hoogste stand, gaat zelf op een hoge trap staan en drukt af. Ik sta er ondertussen met gekruiste vingers naast, hopend dat het allemaal goed gaat.
Een paar dagen later ligt er dan een envelop op de balie met een DVD’tje met digitale opnamen, een vel contactafdrukken en uiteraard de rekening. Wij gaan er dan weer mee aan de slag om bestelde foto’s te mailen en de bestanden te koppelen aan de database en uiteindelijk aan Maritiem Digitaal. En daar heeft u dan weer plezier van als u over Maritiem Digitaal surft.
Wees niet te veel teleurgesteld als u daarbij constateert dat nu juist dat ene object waar uw hart naar uitgaat nog niet van een plaatje is voorzien. Het Maritiem Museum Rotterdam heeft meer dan 550.000 objecten, dus het duurt nog wel even voordat die allemaal zijn gefotografeerd. Maar we doen ons best!

donderdag 1 april 2010

Meten is weten


Het gebeurt niet vaak dat je om tien over half negen ’s ochtends onder een vitrine moet kruipen. Maar soms is dat noodzakelijk, bijvoorbeeld om een datalogger te verwisselen onder de vitrine van het Matarómodel op de eerste verdieping.
Het model is een uniek stuk van een eerbiedwaardige ouderdom, waarvan de lof en de bijzonderheid niet genoeg kunnen worden bezongen.*) We zijn er dan ook erg zuinig op en we houden nauwlettend in de gaten of het model het in klimatologisch opzicht wel naar zijn zin heeft. Vandaar de datalogger: een klein apparaatje dat de temperatuur en de relatieve vochtigheid in de vitrine moet meten. Ingetogen vormgegeven en een wonder van technisch vernuft. Helaas was projectleidster Patricia van de presentatie Maritiem Museum backstage niet zo gecharmeerd van de aanwezigheid van een logger in “haar” Mataróvitrine. Om haar te vriend te houden moest de logger dan ook discreet worden weggewerkt onder de vitrinebodem. Dat betekent op gezette tijden enige gymnastiek op de vroege morgen om de logger te kunnen uitlezen. En dat alles voor de goede zaak: een verantwoord behoud van de collectie.

*) Zie de speciale presentatie van het Matarómodel op de website van het Maritiem Museun onder: Programma > Digitale tentoonstellingen > Het Mataró-model online.

vrijdag 26 maart 2010

“Wie bei uns zu Hause”


…en dan loop je ’s middags door Rosenheim na het installeren van de bruiklenen in de Lokschuppen (zie de blogs van 19 maart jongstleden) en dan zie je in de Heilig-Geist-Strasse opeens een vertrouwd Hollands beeld opdoemen: een echt Hollands haringkarretje met een uithangbord van de Vlaardingse firma Warmelo en Van der Drift, bij Koninklijke Beschikking hofleveranciers sinds 1995.
Holländische Matjes aan de voet van de Beierse Alpen… het moet toch niet veel gekker worden. Maar toch: met een glaasje Schnapps erbij een niet te versmaden lekkernij!

vrijdag 19 maart 2010

Ik ga op reis en ik neem mee… (2)






De koerier van het Rijksmuseum reisde mee naar Rosenheim “op de bok” van de vrachtwagen. De koeriers van Museum Volkenkunde en het Maritiem gingen per vliegtuig er achteraan. Namens het Maritiem Museum zou ik ter plaatse toezicht houden. Rosenheim is verder weg dan je zou denken. Eerst woensdag vijf kwartier vliegen van Schiphol naar München en vervolgens nog eens vijf kwartier met de auto over Beierse binnenwegen naar Rosenheim. Op donderdag was het van elf tot vijf uitpakken, conditierapporten checken, aanwijzingen geven bij het hanteren en toezien op het plaatsen. Het liep gesmeerd: een professioneel team van mensen die met grote kalmte en grote toewijding met zijn allen bezig zijn om een mooie tentoonstelling in elkaar te zetten. Een tentoonstelling die qua sfeer en benadering veel weg had van de tentoonstellingen die we in Rotterdam zelf organiseren – en waarvan overigens ook de vormgeving erg vertrouwd aandeed. Kijk naar de bovenstaande foto’s en zoek de zeven verschillen.
Heel prettig om op deze wijze nieuwe contacten te leggen en oude contacten weer te hernieuwen, zowel met de mensen van de Lokschuppen in Rosenheim als met de koeriers van het Rijksmuseum en Museum Volkenkunde. Woensdagmorgen weg, donderdagnacht half twee weer terug. Bij elkaar nog geen achtenveertig uur uit en thuis, maar genoeg indrukken als was het een hele week!

Zie de website van de tentoonstelling: Gewürze. Sinnlicher Genuss, lebendige Geschichte: www.gewuerze-ausstellung.de

Ik ga op reis en ik neem mee…




… een scheepsmodel, twee schilderijen (waaronder een behoorlijk grote), een scheepsjournaal, een kaartpasser, een 19de-eeuwse aquarel, een 17de-eeuwse kaart van de Molukken, een koperen documentenkist, een jacobsstaf en een aantal kompassen.
Een aardige en kostbare variant op het bekende gezelschapsspel waarmee je je geheugen zo goed kunt trainen. En dat alles voor een tentoonstelling in het Zuid-Duitse Rosenheim, op een steenworp afstand van de Beierse Alpen. Het Ausstellungszentrum Lokschuppen (gevestigd in – de naam zegt het al – een voormalige locomotievenloods) heeft zijn jaarlijkse tentoonstelling gewijd aan Gewürze oftewel specerijen. Die würzigste Ausstellung die es je gab, zoals de kreet van de Rosenheimer marketeers niet zonder gevoel voor overdrijving luidt. De samensteller van de tentoonstelling was afgelopen jaar bij ons al komen praten over dit project. In onderling overleg met de conservatoren was vervolgens een selectie gemaakt van objecten die voor bruikleengave in aanmerking zouden komen.
We maken er beslist geen sport van om bij bruikleenaanvragende instellingen leuke reisjes af te dwingen, maar in dit geval was het sturen van een koerier een absolute voorwaarde. De koerier zou toezicht moeten houden op het uitpakken en in de vitrine plaatsen van het model. Ook zou hij het kwetsbare handschrift in de vitrine moeten leggen en er op moeten toezien dat met de andere objecten voorzichtig zou worden omgesprongen. Het kroonkompas uit de Nedlloydcollectie is zo’n teer poppetje, met zijn bolvormige onderkant van gegraveerd glas.
Je hoeft zo’n voorwerp maar één keer te laten vallen…
De zorg waarmee bruiklenen worden omringd begint al voordat de objecten überhaupt de deur uit zijn. Vorige week vrijdagochtend kwamen medewerkers van het kunsttransportbedrijf de bruiklenen verpakken. Zo’n klusje duurt een groot deel van de dag, want in veel gevallen gaat het om maatwerk. Probeer maar eens een scheepsmodel met tuigage in een transportkist vast te zetten – dat gaat niet met een driepunts autogordel. Met de grootste zorgvuldigheid en onder het toeziend ook van de medewerkers van Behoud & Beheer werden de bruiklenen ingepakt en ’s middags ingeladen om de dinsdag daarop naar Rosenheim te worden overgebracht, begeleid door de koerier van het Rijksmuseum. Want ook het Rijksmuseum hoorde tot de Nederlandse bruikleengevers, net als het Westfries Museum in Hoorn en Museum Volkenkunde in Leiden. We waren dus in goed gezelschap.

woensdag 10 maart 2010

Klussen op zondag





Ook in het Maritiem wordt af en toe onze nationale sport beoefend: klussen op zondag. Afgelopen zondag was het weer zover. Na alle drukte van de Museumnacht – zevenduizend man over de vloer, heel gezellig en leuk, u komt toch volgend jaar weer? – was het zondagmorgen half acht de beurt aan de ploeg die de modellenwand moest ontmantelen. De modellenwand is de gangbare naam voor de “maritieme letterbak” die de afgelopen tien jaar de aanblik van de grote museumhal heeft beheerst. Nu moeten de modellen wijken voor de verbouwing van de hal. Ze komen daar niet meer terug.
Enige weemoed was yours truly niet vreemd. Vooral bij grote bijeenkomsten zoals openingen, vriendenavonden en symposia dwaalde mijn blik af en toe naar boven, naar al die rijen scheepsmodellen die daar stonden te pronken. Chauvinist als ik ben, betrapte ik me dan onwillekeurig op een gevoel van trots op de collectie, die daar zo majestueus boven de aanwezigen uitstak.
Maar afgelopen zondag was er geen tijd voor weemoed: er was werk aan de winkel! Met vijf man van de technische dienst, vier man van de afdeling Behoud & Beheer en een batterij aan technische hulpmiddelen werden in precies vier uur tijd alle modellen van hun steunen getild en naar beneden gehaald. Een ballet voor twee plateauhefwagens en een vorkheftruck, met de medewerkers van de technische dienst als waaghalzen in de lucht en de depotbeheerders, de modelrestaurator en ik veilig beneden op de grond om de modellen snel en doeltreffend richting depot af te voeren. En dat alles onder de verbaasde en bewonderende blikken van een duidelijk geïmponeerd en vooral jeugdig publiek.
Om twaalf uur ’s middags was de hele wand leeg en keerde de rust weer. Tot maandagmorgen, want toen barstte het circus van de verbouwing pas echt goed los.

En al die scheepsmodellen? De looppaden in het depot kunnen nu de vergelijking met de Amsterdamse P.C. Hooftstraat met glans doorstaan. Hele rijen dubbel geparkeerde modellen op “hondjes” (voor niet-ingewijden: meubelrollers) staan te wachten om te worden geïnspecteerd en schoongemaakt, om vervolgens een definitieve standplaats te krijgen in het depot, wachtend op een nieuw optreden in het maritieme circus.
De “doos met spullen” is soms wel heel erg vol…