donderdag 26 augustus 2010

Are you being served?



Bezoekers van de website Maritiem Digitaal zullen het waarschijnlijk nooit hebben geteld, maar op deze site - de gezamenlijke collecties van inmiddels achttien maritieme musea en maritiem-historische instellingen – staan maar liefst achthonderdduizend objecten ontsloten. Van Museum Het Houten Huis in De Rijp tot aan het National Maritime Museum in Greenwich, van het Nationaal Visserijmuseum in Oostduinkerke (waar?) tot aan het Nationaal Reddingmuseum Dorus Rijkers in Den Helder: als het iets maritiems is, is het via Maritiem Digitaal te vinden.
Veel tijd en moeite gaat zitten in het uitbreiden en het toegankelijk maken van de collectiegegevens op de site. Maar het oog wil ook wat, vandaar dat op gezette tijden de looks van de site worden aangepast. In dat kader heeft yours truly de rustige zomerweken besteed aan het surfen op Maritiem Digitaal, om van elk deelnemend museum een aantal leuke of intrigerende objecten te selecteren, die op de binnenkort vernieuwde site met een extra foto in het zonnetje worden gezet.
Ondanks de grote verscheidenheid in collecties en achtergronden heeft elk museum toch wel een aantal objecten in de collectie die bij de zusterinstellingen ook vertegenwoordigd zijn. Dan denk je dat je inmiddels alles wel een keertje gezien hebt: scheepsmodellen, kompassen, foto’s, noem maar op. Toch kom je onverwachte dingen tegen, zoals in de collectie van het National Maritime Museum in Greenwich: een portret van een waarlijk nationale figuur: Captain Peacock, een marineofficier die ten tijde van de Amerikaanse onafhankelijkheidsstrijd rond 1780 zijn sporen heeft verdiend. Utterly British, compleet met stiff upper lip, maar toch wel een andere dan de Captain Peacock die je nog met grote regelmaat in oude herhalingen op tv ziet.
Bestudeer de foto’s en zoek de zeven verschillen!

Visserslatijn


Je ziet ze wel eens in het plaatselijke krantje staan: foto’s van trotse vissers met hun vangst. Meestal gaat het dan om inheemse vissen of exoten, verdwaald in een lokaal watertje en in een onbewaakt ogenblik gesnapt door een alerte hengelaar. Een bijzondere exoot werd afgelopen week gevangen door onze depotbeheerder Henk, die bereid was met zijn vangst te poseren.
Het gaat om een fabeldier, bedoeld als voorstudie voor het interieur van één van de luxe cruiseschepen van de Holland-America Line. Het ontwerp voor de inrichting van deze schepen is al sinds jaar en dag toevertrouwd aan bureau VFD in Utrecht. Voor de HAL-tentoonstelling die de afgelopen jaren in het museum was te zien, had VFD een aantal interieurstukken in bruikleen gegeven en zoals dat zo vaak gaat met bruiklenen: na verloop van tijd wil je ze eigenlijk niet meer missen. Gelukkig wilde VFD het bruikleen wel omzetten in een schenking. Sterker nog: we mochten op het kantoor in Utrecht een keuze komen maken uit studies, ontwerptekeningen, foto’s en modellen die de afgelopen jaren voor de inrichting van schepen zijn vervaardigd. Van dit aanbod werd dankbaar gebruik gemaakt en zo is de collectie verrijkt met een aantal stukken die een indruk geven van de rijkdom en luxe aan boord van cruiseschepen.
Dat is nog eens een mooie bijvangst!

vrijdag 30 juli 2010

Gibt’s Seeraüber an der Mosel?




Als dan ook nog de kinderkamer van het gehuurde vakantiehuisje aan de Moezel – inderdaad: avontuurlijke vakanties zijn niet echt “ons ding” – opgesierd blijkt te zijn met prenten van zeerovers, dan weet je weer dat je al in mei had aangekondigd nog eens iets over het nieuwe jaarboek te schrijven. Het derde gezamenlijke jaarboek van het Nederlands Scheepvaartmuseum Amsterdam en het Maritiem Museum Rotterdam heeft de beeldvorming rond piraten en kapers als thema. Gaat het om het schuim der natie of om Robin Hoods met zeebenen, die het opnemen voor de onderdrukten in de samenleving? Diverse schrijvers hebben bijdragen geleverd waarin het begrip piraterij en kaapvaart in al zijn facetten wordt belicht. Bij die artikelen horen illustraties, want het boek moet er natuurlijk wel aantrekkelijk uitzien.
Het zoeken naar plaatjes is voor een groot deel de taak van de beeldredactie, die dit jaar wordt gevormd door Elisabeth Spits van het NSA en yours truly. Met zijn tweeën spelen wij voor “beeldenboer”. In eerste instantie worden de collecties van NSA en MMR doorgespit op toepasselijke plaatjes. Het jaarboek vormt tenslotte het visitekaartje van de beide maritieme musea, dus de collecties van Amsterdam en Rotterdam moeten ruimschoots aan bod komen. Maar ook uit andere collecties wordt geput. Beeldmateriaal wordt uitgezocht, besteld en zo nodig zelf gemaakt. Per artikel worden de meest toepasselijke afbeeldingen gegroepeerd en van bijschriften voorzien. Dan is er de rituele veldslag rond de omslagfoto’s, waarbij de marketingtechnische inzichten van de uitgever soms lijnrecht tegenover de opvattingen van de musea staan, het onvermijdelijke druk uitoefenen op de leveranciers van afbeeldingen die je niet zelf in de collectie hebt en het handhaven van de kwantitatieve balans in aantallen afbeeldingen. Het is tenslotte een gezamenlijk jaarboek.
Uiteindelijk komt dan alles samen in een ongetwijfeld prachtig boek, dat eind dit jaar zal verschijnen. Bent u vriend van één van beide musea of misschien zelfs wel van allebei? Dan hoort u er op afzienbare termijn meer over. Bent u nog geen vriend? Alle reden om het alsnog te worden!

woensdag 7 juli 2010

Tovenaar met papier




Wie de vierde verdieping van de kantoorvleugel van het museum betreedt, wordt verwelkomd met zachte klassieke muziek, die via de geopende deur van het restauratieatelier door de gangen zweeft. Dat atelier is het domein van papierrestaurator Frank Götz, die verantwoordelijk is voor het onderhoud aan de omvangrijke collectie “werken op papier”, de verzamelnaam voor tekeningen, prenten, kaarten, atlassen, menukaarten, kortom alles wat in het prentendepot aan het eind van de gang wordt bewaard. Papier is kwetsbaar en werken op papier vereisen dus goede zorg. Soms blijft de zorg beperkt tot een passepartoutje – uiteraard zuurvrij – soms gaat de zorg wat verder. Scheuren moeten worden gedicht, ontbrekende stukken moeten worden “aangevezeld”, etcetera.
Frank is een begenadigd verteller en kan uren uitweiden over zijn vak. Een enkele maal wordt hij geconfronteerd met een crepeergeval, waar hij als zijn kennis en kunde op los kan laten.
Zoals op de zwaar beschadigde tekening die gemaakt is aan boord van het onderzoeksschip ‘Willem Barents’, ter gelegenheid van het afscheidssouper van dr. W. Hamaker tijdens de derde Noordpoolreis van het schip in 1880. Een boeiend stukje huisvlijt van één van de opvarenden, die op onnavolgbare wijze een arabier met een kameel en een gevecht tussen een poolreiziger en een ijsbeer in één voorstelling heeft weten te verenigen. De tekening zag er overigens uit alsof het blad zelf ook met een ijsbeer had gevochten: de vellen hingen er letterlijk bij. “Gevalletje total loss”, zou je geneigd zijn te zeggen. Zo niet Frank: met engelengeduld en vaste hand heeft hij alle scheuren gedicht en er weer een toonbaar geheel van gemaakt. En nu maar wachten op een goede aanleiding om het blad een keer te kunnen exposeren!

maandag 14 juni 2010

Shaken, not stirred



Gesignaleerd in de gang op de derde verdieping van de kantoorvleugel: een kleine bar, afkomstig uit de vanmorgen afgebroken tentoonstelling Glamour op de golven. Ter geruststelling: het lijkt erger dan het is – de cocktailglazen zijn gevuld met een ondefinieerbare kunststof substantie en in de wodka-, Martini- en ginflessen zit water. En dat alles tegen de achtergrond van een opgeblazen foto van twee Zeeuwse boerinnen, afkomstig van uit de expositie Varen door Stad en Land, inmiddels ook al weer een aantal jaren geleden.
Je loopt er langs op weg naar de koffie en dan schiet je onwillekeurig dat oude liedje te binnen: In some secluded rendezvous / That overlooks the avenue / With someone sharing a delightful chat / Of this and that with cocktails for two…

woensdag 9 juni 2010

Bestuurlijke verplichtingen en een onverwachte ontmoeting



Er zijn beroerder dingen in het leven dan vergaderen op een terras in de zon. Jongstleden zaterdag werd in Vlissingen de jaarlijkse ledenbijeenkomst gehouden van de Linschoten-Vereeniging – met dubbel “e”, want opgericht in 1908 – en voorafgaand aan deze bijeenkomst kwam het bestuur van de club nog even op een terrasje bij elkaar. En de lezer van dit blog raadt al wie er in dat bestuur zit.
De Linschoten-Vereeniging heeft als doel “de bevordering van de interesse voor en de kennis van het historisch reisverhaal”. Dat klinkt voor de meeste mensen niet bepaald naar zonnige terrassen. Voordat echter het karikaturale beeld van de stoffige archieven met beschimmelde folianten weer van stal wordt gehaald, moet ik toch wel even kwijt dat de Linschoten-Vereeniging niet de doorsnee-bejaardenclub is waarvoor historische verenigingen nog wel eens worden versleten. Toegegeven, de gemiddelde leeftijd ligt wat hoger dan bij Pinkpop of Lowlands, maar de vereniging kent een nog steeds groeiend en zich verjongend ledenbestand. Daarnaast slaagt de Linschoten-Vereeniging er in om jaarlijks een reisjournaal opnieuw uit te geven, voorzien van een inleiding door een ter zake kundig historicus, die het verhaal in zijn context plaatst en van nadere toelichtingen en aantekeningen voorziet. Regelmatige bezoekers van boekhandels zullen ze wel eens zien liggen.
De vereniging is vernoemd naar de Enkhuizenaar Jan Huygen van Linschoten (1562-1611), een van de eerste Nederlanders die er in slaagde om naar Azië te reizen. In India verzamelde Van Linschoten allerlei informatie over de handel in Aziatische producten. Toen hij in 1592 in Enkhuizen terugkeerde, stelde hij twee boeken samen: één over de route die men moest volgen om in Oost-Indië te komen en één over alle producten die er te krijgen waren. Die boeken hebben een grote invloed gehad op de inspanningen van de Nederlanders om de route naar Azië te vinden, waarmee de basis zou worden gelegd voor de welvaart in de Republiek in de 17de en 18de eeuw. Er is niet voor niets in de maritieme canon speciaal een venster aan Van Linschoten gewijd.
Na de vergadering was er gelegenheid voor de leden om lezingen bij te wonen en het Zeeuws Maritiem MuZEEum te bezoeken. Maar het leukst is toch altijd de borrel na afloop. Als secretaris van zo’n club heb je regelmatig contact met de leden, van wie je er een aantal via de mail beter leert kennen. Ledenbijeenkomsten zijn dan een goede gelegenheid om de mensen ook eens in levende lijve te zien en te spreken.
En als je dan ’s avonds langs de Westerschelde terugloopt naar het station en je ziet de schepen uit Antwerpen stroomafwaarts komen, op weg naar zee, dan is het leven toch zo gek nog niet – zeker als je nog een inspirerend voorbeeld tegenkomt voor een illustratie in het Piratenjaarboek!

Zie voor de Linschoten-Vereeniging en haar activiteiten: www.linschoten-vereeniging.nl.

donderdag 3 juni 2010

Geen gemakkelijk heerschap



De observatie zij me vergeven, maar restauratoren vormen een apart slag mensen op aarde. Het zijn lone wolfs – eenzaten, zoals onze zuiderburen zo mooi zeggen – die in de beslotenheid van hun restauratieatelier de confrontatie aangaan met het kunstvoorwerp dat ze moeten restaureren. Of het nu om een schilderij, om een tekening, een prent of om een scheepsmodel gaat: het gaat tussen hen en het voorwerp, dus: “helpers weg!” Wie zich in die confrontatie mengt – of het nu een collega is of een volslagen leek – wordt vaak beschouwd als een lastige pottenkijker, die er per definitie geen zier verstand van heeft.
Over restauratoren doen binnen het Maritiem Museum de mooiste verhalen de ronde. Zo was daar - lang geleden inmiddels - die papierrestaurator die verzot was op jagen en die altijd wel een stuk pasgeschoten wild in de koelkast op zijn atelier had staan om te laten besterven. Niet meer voor te stellen anno 2010, maar never let the facts spoil a good story: de verhalen worden met de jaren uiteraard steeds mooier.
Ook de afdeling modelrestauratie in het museum kende kleurrijke figuren: uitermate kundige mannen, met een goed ontwikkeld zelfbewustzijn. Een karaktertrek die overigens bij specialisten op velerlei vakgebied wel vaker voorkomt. Die ego’s botsten dan ook wel eens met elkaar. Verschillen in karakter, aanpak en werktempo zorgden soms voor spanningen en fricties. Een moeizame verhouding tussen modelrestauratoren onderling hoorde dan ook van oudsher bij de tradities binnen het Maritiem Museum.
Een van die kleurrijke figuren was Carel van der Kellen (1909-1993), “Kareltje” voor intimi. Een tamelijk nurkse man, die resideerde in het atelier in de kelder van het oude museumgebouw aan het Burgemeester s’Jacobplein, steevast gewapend met een stompje sigaar in zijn mondhoek. Hij kon het zijn collega’s knap moeilijk maken. Zo had hij de gewoonte om af en toe sigarenrook door de tuigage van het model op zijn werktafel te blazen, zodat zijn collega aan de tegenoverliggende tafel met tranende ogen van de rook zijn werk stond te doen.
“Wat kom je hier eigenlijk doen?” voegde Van der Kellen eens een nieuwe medewerker toe, die op zijn eerste werkdag in het museum, november 1971, een kennismakingsrondje kwam maken. De toon van de vraag verried een schrijnend gebrek aan vertrouwen in de capaciteiten van de nieuweling.
“Een slecht mens”, zo werd Van der Kellen eens door een collega gekarakteriseerd, waarbij "slecht" moet worden begrepen als: moeilijk. Een slecht mens – misschien, maar wel eentje die zijn vak uitermate goed verstond en die soms ongebruikelijke materialen toepaste bij zijn modellen. Zo maakte hij een zogenoemd “flessenscheepje” met een stoomschip in plaats van een zeilschip en niet in een fles, maar in een gloeilampje. Vier strekkende centimeter vakmanschap, met een diameter van maximaal twee centimeter – a hard act to follow.
Een ander sterk staaltje was het model van een viskotter, gemaakt van ivoor en met elfeneenhalve centimeter een juweeltje van een model. Voor de tuigage was garen niet fijn genoeg in Van der Kellens ogen. In plaats daarvan gebruikte hij mensenhaar. De haren van zijn zus, die hij eerst wilde gebruiken, kleurden niet goed bij het model. Uiteindelijk gebruikte hij hoofdhaar van zijn moeder om het model mee te tuigen.
Ivoor en mensenhaar: je moet er maar opkomen wanneer je een model wilt bouwen!

…en de nieuweling uit 1971? Met hem kwam het toch nog goed. Hij bracht het tot hoofd Collecties van het museum en nam uiteindelijk na een carrière van meer dan dertig jaar afscheid.