woensdag 11 september 2013

Leuvehaven in beeld (2)


Gelijk maar gehoor gegeven aan Rinskes verzoek en de daad bij het woord gevoegd: bovenstaande foto dateert van 1 augustus jongstleden, 14.35 uur. Hoogzomer in Rotterdam, een enkeling waagt zich in de hitte op straat. Een toerist fotografeert het Lage Licht. Een beurtscheepje meert af in de Bierhaven. Über allen Gipfeln ist Ruh...

dinsdag 10 september 2013

Leuvehaven in beeld (1)


Projectleider Rinske mailde me vorige maand dat ze aan me had gedacht. Nee, niet wat u als lezer van dit blog mocht denken - strikt in zakelijk opzicht. Mijn naam kwam bij haar op toen ze zich iets realiseerde waar de meesten van ons eigenlijk liever niet zo bij stilstaan, namelijk dat er de komende jaren door de krappere financiële “jas” van het museum een hoop gaat veranderen rond de Leuvehaven. Het onafwendbare vertrek van de ‘Buffel’ naar Hellevoetsluis – Breaking news: in de tweede helft van september – is daar een zichtbaar voorbeeld van. Maar ook de intensieve gesprekken die met het Havenmuseum worden gevoerd over nauwere samenwerking beginnen hun schaduw vooruit te werpen. Welke gevolgen de samenwerking tussen de beide musea en de krappere financiële middelen voor het varend erfgoed in de Leuvehaven zullen hebben, weet nog geen mens. Maar de lege plek die de ‘Buffel’ zal achterlaten zal toch in ieder geval moeten worden opgevuld. En bij die verandering zal het waarschijnlijk niet blijven.

Er is geen betere plek om die ontwikkelingen gade te slaan dan de kantine van het museum. En zo kwam ik bij Rinske in beeld. Haar idee was om de komende maanden op vaste tijden de Leuvehaven met zijn drijvend maritiem erfgoed te laten fotograferen en daarbij de tijd en de ontwikkelingen hun werk te laten doen. En of ik, als self-proclaimed huisfotograaf, er wat voor voelde om die serie te maken.

Het staat al gemarkeerd in mijn agenda: elke eerste donderdag van de maand, rond een uur of half drie. Dan is de zon over haar hoogste punt heen en is het 's winters nog niet donker. Eens kijken of het valt vol te houden – en vooral: eens kijken wanneer de eerste veranderingen zich voordoen. "De haven van Rotterdam is vol dynamiek", hoor je altijd zeggen. We zullen zien of dat ook voor de Leuvehaven opgaat!

dinsdag 3 september 2013

Ontzamelen anno 1922


Niet alleen museumvoorwerpen hebben zo hun verhalen, ook het museum als instituut heeft van die hoofdstukken waaraan het waarschijnlijk liever niet wordt herinnerd. Wat te denken van de volgende gebeurtenis van meer dan negentig jaar terug, ontleend aan een beschrijving op een oude inventariskaart van het ijzeren kanon van het schip ‘De Haan’?
”Dit kanon is afkomstig van het in 1640 in Brassy Sound, slaande tegen de Duinkerkers, ondergegane Hollandsche oorlogsschip “de Haen”. Het stuk is van ijzer en van groot gewicht en afmeting en nogal verminkt; een der tappen is b.v.b. geheel weggeroest. Omdat het – zoo vermeldt het Jaarverslag – voortdurend dikke druppels bruine pekel zweette, heeft men het destijds begraven in den tuin van het M.M.”
Zo’n vermelding maakt nieuwsgierig. Je pakt het Verslag omtrent den toestand van het Museum voor Land- en Volkenkunde en van het Maritiem Museum “Prins Hendrik” te Rotterdam over het jaar 1922 uit de kast en daar staat het in, op pagina 15, sub 2:
“Het stuk, tegen verwachting van ijzer en van formidabel gewicht en afmeting en daardoor op een derde verdieping een eenigszins onhandig museumstuk, was nogal zwaar verminkt, zoo was b.v. een der tappen geheel weggeroest. De omstandigheid dat het voortdurend over de geheele lengte dikke droppels bruine pekel zweette, was oorzaak dat het ook in de vestibule met den besten wil geen plaats kon behouden.”

Je doet je ogen dicht, laat je verbeelding de vrije loop en je ziet zo maar het tafereeltje voor je. De directeur van het Maritiem Museum en Volkenkundig Museum, J.W. van Nouhuys – oud-marineofficier – enigszins ongeduldig en licht geïrriteerd heen en weer ijsberend door de hal van het museum, terwijl enkele medewerkers hulpeloos naast het kanon staan, in afwachting van wat komen gaat. Dikke druppels pekel laten bruine vlekken achter op het marmer van de vloer; een hulpvaardige hand heeft al geprobeerd ze weg te poetsen en het effect daarmee alleen maar verergerd. Van Nouhuys werpt tijdens het ijsberen nijdige blikken op het stuk oud roest, dat sinds enige tijd tot de collectie van zijn museum behoort. Sinds de schenking heeft het alleen maar narigheid opgeleverd. Het was slechts van ijzer, niet eens van brons; het was al te groot om over de trappen naar de derde verdieping te worden gebracht, waar het eigenlijk thuis hoorde. Uit arren moede moest het daarom maar in de hal van het museum worden opgesteld. En nu dít weer…

Uiteindelijk hakt Van Nouhuys de knoop door: hij geeft orders een kuil te graven in de tuin achter het museum en het kanon daar in te deponeren. Daar kan het blijven liggen totdat iemand met een briljante suggestie komt voor een oplossing van het probleem. En tot die tijd maar hopen dat er niet een vertegenwoordiger van de schenkers komt kijken wat er met het door hen geschonken kanon is gedaan, want dan valt er heel wat uit te leggen.

Nogmaals: de bovenstaande scène is slechts fantasie – behalve het eind van het verhaal. Want zó gebeurt het: het kanon wordt in de tuin begraven en verdwijnt daarmee uit het zicht – en uit het collectieve geheugen van het museum. De beschrijvingen in het jaarverslag over 1922 en op de inventariskaart blijven achter als stille getuigen. De geschiedenis vermeldt niet of het kanon bij de splitsing van het Maritiem Museum en het Volkenkundig Museum in 1948 alsnog is opgegraven. Het is dus heel goed mogelijk dat het nog steeds in de tuin van het huidige Wereldmuseum ligt…

dinsdag 30 juli 2013

Groeten uit Papenburg


Of je ze mooi vindt of niet is een kwestie van smaak. Zelf ben ik van mening dat er veel mooiere schepen zijn gebouwd, maar imposant zijn ze wél: de cruiseschepen van tegenwoordig. Drijvende flatgebouwen met onafzienbare rijen balkons, een scherpe boeg, een brug die zo breed is dat-ie zó naast de Erasmusbrug over de Nieuwe Maas kan worden gelegd, schoorstenen die onwillekeurig aan iets anders doen denken en in de regel van stapel gelopen in Italië of in aan de oostkust van Azië.
Hoewel – niet allemaal. Een van de grootste leveranciers van nieuwe cruiseschepen is gevestigd in Papenburg, maar liefst vijftig kilometer stroomopwaarts langs de Eems in Noord-Duitsland. Ga ter hoogte van Nieuweschans de grens over en na een twintig minuten rijden sta je bij de Meyerwerft, voluit Jos.L. Meyer GmbH, opgericht in 1795 en voor de zesde achtereenvolgende generatie in familiebezit.
Je kijkt je ogen uit. Net als bij de werf van IHC in Krimpen aan den IJssel (voorheen Van der Giessen de Noord) worden de schepen daar niet op de helling gebouwd, maar in een overdekte hal. Alleen de schaal is wat groter: waar de loods van IHC met een lengte van 265 meter, een breedte van 97 meter en een hoogte van 52 meter al niet bepaald klein te noemen is, haalt Halle 6 van de Meyerwerft een lengte van meer dan 500 meter, een breedte van 125 meter en een hoogte van 75 meter. Eat your heart out, Wim Quist!
De schepen worden op de werf in segmenten gebouwd, die vervolgens in een van de twee overdekte dokken worden geassembleerd. Zodra een schip haar voltooiing nadert, beginnen ze alvast aan het volgende. Als het schip bijna klaar is, worden de sluizen van het dok geopend en wordt het schip door de enorme schuifdeur aan de kopse kant van het dok naar buiten getrokken. Na een korte periode aan de afbouwkade begint het schip met de achterzijde naar voren – want dat manoeuvreert gemakkelijker – aan zijn eerste reis: de Eems af, richting de Noordzee.

Sinds 1986 heeft de Meyerwerft al meer dan vijfendertig cruiseschepen gebouwd en de orderportefeuille zit inmiddels vol tot en met 2017, waarmee het aantal op ruim veertig schepen komt. Dat zijn heel wat bedden – de hutten bouwen ze overigens ook bij een zelfstandig dochterbedrijf even verderop. Zo’n hut assembleren kost maar vijfentwintig minuten en ze worden kant en klaar het casco binnengeschoven en afgemonteerd.
Het eerste cruiseschip dat de werf bouwde, de ‘Homeric’, werd overigens nog op de “normale” manier in de open lucht gebouwd en te water gelaten. Niet van een langshelling, want daarvoor bood de Eems te weinig breedte, maar van een dwarshelling. De ‘Homeric’ was met een lengte van tweehonderd meter het grootste schip dat ooit van een dwarshelling van stapel liep. Enkele jaren later kwam het schip weer terug in Papenburg, maar nu als de ‘Westerdam’ van de Holland-Amerika Lijn, om met nog eens veertig meter te worden verlengd.

En nu ligt de ‘Norwegian Getaway’ in het bouwdok. In oktober is ze klaar, om onder de ogen van vele duizenden belangstellenden Halle 6 te verlaten en de eerste mijlen te varen op een manier die voor een zeegaand schip ongebruikelijk kan worden genoemd: op binnenwateren en achterste voren.
Of we dan weer naar Papenburg gaan om het mee te maken, staat nog te bezien. In ieder geval hadden we na afloop van ons bezoek aan de werf geluk: we waren bij toeval getuige van een tewaterlating – al was het dan op bescheiden schaal…


Meer weten over de Meyerwerft? Zie: www.meyerwerft.de of ga zelf eens een kijkje nemen. Het geven van rondleidingen lijkt de tweede kernactiviteit van de werf te zijn. Beslist de moeite waard en de obligate grapjes van de gidsen – die overigens uitstekend Duits spreken maar niet meer dan dát – neem je graag voor lief.

vrijdag 12 juli 2013

Luchtfietserij (2)


Inmiddels kan een ontkennend antwoord worden gegeven op de vraag waarmee het vorige blog werd besloten. Gisterochtend waren de werkzaamheden op de hoek van het museumgebouw zo ver gevorderd, dat de gegraven sleuf kon worden dichtgegooid en de bestrating weer kon worden hersteld. Maar de fiets bleef hangen. ’s Avonds fungeerde hij nog als kapstok voor een vergeten veiligheidshelm, maar vanochtend was ook die verdwenen en restte alleen nog maar de fiets, als een soort objet trouvé op ruim anderhalve meter boven het plaveisel. Je hoeft echt geen Joep van Lieshout te heten om een landmark op het Churchillplein achter te laten!

vrijdag 28 juni 2013

Luchtfietserij


Op de hoek van de Blaak en de Schiedamsedijk, bij de punt van de gelijkzijdige driehoek die gevormd wordt door de plattegrond van het Maritiem Museum, staat een lantaarnpaal. Vaak staan daar van die reclameborden omheen, die een van de vele Rotterdamse evenementen aankondigen. Sinds een maand of wat wordt de lantaarnpaal gebruikt als ankerplaats voor een fiets. Een onbekende bezitter heeft zijn rijwiel in het holst van de nacht met een stevig kabelslot aan de paal vastgemaakt en een knappe jongen die hem los krijgt.
Een praktische oplossing, die onbedoeld een ander met een probleem opzadelt. Want wat doe je als dienst Gemeentewerken als je het trottoir moet openbreken om een paar kabels en leidingen in de grond te stoppen en die fiets staat in de weg? Je kunt het slot met een betonschaar proberen open te knippen, maar dan zit je met die fiets in je maag. Geheel in Rotterdamse geest is voor een praktische oplossing gekozen. De fiets hangt nu vastgetaped aan zijn kabelslot op anderhalve meter hoogte in de lantaarnpaal, netjes uit de weg.

Toch benieuwd of-ie na afloop van de werkzaamheden weer op zijn plaats wordt teruggezet…

dinsdag 7 mei 2013

Koningslied of The Sound of Music?


Wie op 30 april voor de televisie zat om naar de inhuldiging van de nieuwe vorst te kijken, kreeg ’s avonds de boodschap onophoudelijk ingehamerd: een nationaal feest is per definitie een maritiem feest. André Rieu, die het koningsbal opent met Piet Hein zijn naam is klein en natuurlijk de Koningsvaart, die maritieme apotheose van een dag die ’s ochtends vroeg al begon met 101 saluutschoten van (toen nog) Hare Majesteits ‘Evertsen’ op het IJ. Het was weer voor iedereen duidelijk: Nederland ontleent zijn identiteit voor een groot deel aan zijn haat-liefde verhouding met het water.

Die maritieme identiteit staat ook centraal in alweer het zesde gezamenlijke jaarboek dat eind dit jaar door het Scheepvaartmuseum Amsterdam en het Maritiem Museum Rotterdam wordt uitgebracht. Een definitieve titel moet nog worden verzonnen, maar de centrale vraag is inmiddels geformuleerd: “In hoeverre en op welke wijze komt de Nederlandse identiteit terug in maritieme feesten en vermaak aan boord?”, of anders gezegd: “In hoeverre (op welke wijze) dragen maritieme feesten en maritiem vermaak aan boord bij aan de ontwikkeling of bestendiging van de nationale identiteit?”
Zo’n vraagstelling is stevige kost en er is lang over gediscussieerd voordat-ie uiteindelijk op papier stond. Inmiddels zijn de eerste versies van de artikelen bij de redactie gearriveerd en worden de contouren van het boek duidelijk. Herdenkingen van grote zeehelden, spiegelgevechten op het IJ in de zeventiende eeuw, de Toppers op een maritieme zegewagen in de Amsterdam Arena – allemaal maritiem spektakel, bedoeld om een bepaald wij-gevoel te kweken. Ook de spelletjes en spelen aan boord komen uitgebreid aan bod, waarmee een stukje vaderlandse bodem en vaderlandse tradities op zee levend worden gehouden in verre streken. Al met al een gemêleerd aanbod aan bijdragen, waarin de maritieme symboliek als ondersteuning van de Nederlandse identiteit centraal staat. In november verschijnt het boek – mét een pakkende titel!

En over symboliek gesproken: vond u, kijkend naar de Koningsvaart op het IJ, de overeenkomst tussen het Koninklijk Gezin en de vluchtende familie Von Trapp uit the Sound of Music ook zo frappant? Het Republikeins Genootschap kan daar nog heel wat moed uit putten voor de toekomst…