woensdag 8 augustus 2012

Nogmaals kapitein Barend Klip


Toeval bestaat niet, zeggen ze wel eens. Het verhaaltje over de Amelander kapitein Barend Klip (zie mijn blog van 11 juli jongstleden) bracht een inwoner van Ameland er toe een reactie te sturen. Kapitein Klip blijkt één van de 96 Amelanders te zijn geweest, die bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog onder het Vaarplichtbesluit vielen. Aan al die Amelanders en hyun lotgevallen tijdens de oorlog is de tentoonstelling De verplichte Vaart. Amelanders in de Koopvaardij ten tijde van de WOII gewijd, die deze zomer in het Maritiem Centrum “Abraham Fock” in Hollum op Ameland wordt gehouden. Zie www.amelandermusea.nl.

De roots van Professor Plons


Het zal de meeste bezoekers en volgers van het Maritiem Museum niet zijn ontgaan dat de kindertentoonstelling Professor Plons volledig is vernieuwd. We zijn inmiddels aan de vierde editie toe en elke keer leren ook wij weer wat meer over de hooggeleerde heer. Dat zijn belangstelling en activiteiten op maritiem gebied liggen, is voor iedereen wel duidelijk en inmiddels heeft hij er ook een hele vriendenkring bij gekregen. De vraag waar professor Plons vandaan komt, is echter tot op heden nog onbeantwoord gebleven. Nu lijkt dan toch ook op dit raadsel een antwoord te kunnen worden gegeven: Professor Plons komt… uit Zwitserland! Net als die andere, inmiddels hoogbejaarde academicus, wiens achternaam ook met een P begint en die meer als zanger bekend was dan als econoom.

Op zo’n tachtig kilometer ten zuidoosten van Zürich, in het dal van de Seez en aan de A3 richting Chur, ligt het dorpje waaraan de professor zijn achternaam lijkt te hebben ontleend. Meer dan een paar honderd mensen wonen er niet en het staat in geen enkele toeristengids. Een gedenksteen die zijn geboortehuis aangeeft heb ik tijdens mijn bezoek niet kunnen ontdekken, maar als de enige plaats met die naam in West-Europa (het plaatsje Plonsk, 50 kilometer ten noordwesten van Warschau, buiten beschouwing gelaten), heeft het goede papieren om de link met onze Professor P. te kunnen leggen. En wie het niet gelooft, komt maar met bewijzen voor het tegendeel!

woensdag 11 juli 2012

Een zeemansleven in oorlogstijd


Je loopt bij De Slegte, je kijkt eens bij de boeken over scheepvaart omdat je man en je grootvader hebben gevaren en je vader ook bij een scheepvaartmaatschappij heeft gewerkt. Je ziet een boek staan dat je aandacht trekt en je ziet op de cover een schilderij waarop je grootvader is afgebeeld. Dat schilderij hing vroeger altijd boven het bureau van je (inmiddels overleden) vader en de afgelopen twintig jaar heb je je meermalen afgevraagd waar het eigenlijk gebleven was.
Dit overkwam de mevrouw die twee weken geleden in de kantine van het museum tegenover ons aan tafel zat. Het schilderij is gemaakt door Evert Jan Ligtelijn (1893-1975), die in opdracht van de KNSM regelmatig schilderijen maakte aan boord van KNSM-schepen. De afgebeelde kapitein was Barend Klip, in leven gezagvoerder op het s.s. ‘Cottica’ van de KNSM.
Barend Klip was afkomstig uit een eenvoudig gezin uit Ballum op Ameland. Begonnen als scheepsjongen, “voor de mast” zoals dat heet, klom hij door de afwisseling van varen en opleiding het lange traject naar de top: vierde stuurman, derde stuurman, tweede, eerste en vervolgens kapitein.

Het moet een aardige man zijn geweest, maar wel met natuurlijk gezag, te oordelen naar de foto’s die zijn kleindochter had meegenomen. Samen met de documenten en de foto’s die haar vader meer dan vijftien jaar geleden al aan het museum had geschonken, ontstond op de tafel het beeld van een zeemansbestaan met lange reizen, ver van huis. Zoals zo vaak liep ook het leven van kapitein Klip anders dan verwacht. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was hij aan boord van zijn schip. Alle Nederlandse zeelieden die op dat moment buitengaats waren, werden op grond van het zogenoemde Vaarplichtbesluit onder gezag van de Nederlandse regering in ballingschap geplaatst. Ze moesten blijven varen om de geallieerde bondgenoten bij te staan in hun oorlogsinspanningen en terugkeer naar Nederland was uitgesloten.
Onder de twaalfduizend Nederlandse zeelieden die dit overkwam, was ook Barend Klip. Klip maakte deel uit van de delegatie die op 28 juni 1943 in het Canadese Ottawa aanwezig was bij de doop van prinses Margriet, waarbij ze als petekind van de Nederlandse koopvaardij werd aangenomen. Op de foto die van die plechtigheid is gemaakt, haal je hem er direct uit. Klip tobde al jaren in toenemende mate met zijn gezondheid, maar wist dat voor eenieder te verbergen en bleef op de ‘Cottica’ zijn zeemansplicht vervullen. Totdat het echt niet meer ging. Hoewel de artsen het hem ontraadden, ging hij telkens weer terug aan boord. Uiteindelijk was ook dat hem te zwaar: hij overleed aan wal op Curaçao, op 2 februari 1944. Bij zijn begrafenis was zijn oudste zoon aanwezig, evenals vele collega’s van de KNSM. In een brief aan het New Yorkse kantoor van de KNSM wordt Klip geroemd om de orde en discipline die aan boord van zijn schip heerste en die alleen mogelijk was door zijn invloed en door het respect dat hij van zijn bemanning genoot. Zijn plichtsbetrachting en zijn toewijding aan zijn vaderland en de Maatschappij werden als een voorbeeld voor velen beschouwd.
Barend Klip: een man uit één stuk!

maandag 25 juni 2012

Rotterdamse scheepsbouw en Hollands glorie


Waar een verbouwing al niet goed voor is. Toen we enkele jaren geleden bezig waren met de verhuizing van de collectie technische tekeningen – met kasten en al – naar het externe depot van het museum in de Alexanderpolder, kwam er tijdelijk ruimte vrij in het depot. Dat was een mooie gelegenheid om eindelijk eens de drie opgerolde schilderijen te bekijken die als sinds jaar en dag in een hoekje van het depot waren opgeslagen. Ze waren te groot om op een veilige manier in de gangpaden van het depot te worden uitgerold, zonder het risico op schade aan de doeken. Er was alleen van bekend dat ze afkomstig waren van de werf van Piet Smit en we hadden ons al honderd keer afgevraagd wat er op zou staan en wie ze zou hebben gemaakt. Niemand die het wist – zelfs niet de oudgedienden onder de medewerkers, noch de pensionado’s die in dergelijke gevallen nog wel eens het collectieve geheugen van het museum willen aanvullen.
Met vereende krachten werden de drie schilderijen op een dinsdag op de lege vloer uitgerold. Zowel het formaat van de doeken als de voorstellingen overtroffen onze stoutste verwachtingen: drie geschilderde panorama’s met een lengte van zes tot tien meter, met daarop afgebeeld een keur van schepen op een rivier. Een waar Panorama Mesdag voor bootjesliefhebbers.

De schilderijen zijn in 1928 gemaakt door de Duitse schilder Adolf Bock. Alle afgebeelde schepen zijn onderzocht en het bleek dat ze gebouwd zijn bij Burgerhout's Machinefabriek en Scheepswerf NV in Rotterdam. Deze werf bouwde tussen 1911 en 1932 bij Varkenoord, “op Zuid”, een grote verscheidenheid aan schepen, baggermolens, vrachtschepen, binnenvaartschepen, torpedobootjagers, wat al niet. Ook het grote 8000 tons drijvende dok, waarvan de reis naar Tandjong Priok in 1923 voorpaginanieuws was, is bij Burgerhout gebouwd en is op een van de schilderijen te zien. Ongetwijfeld heeft Bock de schilderijen gemaakt in opdracht van de directie van Burgerhout, die trots was op haar bouwlijst. Drie jaar later viel het doek voor de werf. De buurman, Scheepswerf en Machinefabriek Piet Smit, nam uiteindelijk de grond met de opstallen over. De drie schilderijen hebben vervolgens jaren lang in de personeelskantine van de werf van Smit gehangen. Na de sluiting van de werf van Smit kwamen ze in het museum terecht, opgerold op grote klossen omdat ze te groot waren om ze op te hangen.
Wat doe je met zulke enorme schilderijen? Het is zonde om dergelijke visitekaartjes van de Rotterdamse scheepsbouw opgerold in het depot te laten liggen. Een mooier en monumentaler tijdsbeeld van de Rotterdamse scheepsbouwactiviteiten vind je niet zo gauw. Die verdienen een plaats in de hal van het museum.

Om daar te kunnen hangen, moeten ze echter eerst worden gerestaureerd. En daar komt het relatief nieuwe begrip crowd funding om de hoek kijken. Zoals alle culturele instellingen moet ook het Maritiem Museum Rotterdam bezuinigen en met het onderzoek en de restauratie van deze drie schilderijen is veel geld gemoeid. Vandaar dat het museum een beroep doet op iedereen die de geschiedenis van de Rotterdamse scheepsbouw een goed hart toedraagt, om deze restauratie financieel te ondersteunen. Of misschien heeft u wel helemaal niets met de Rotterdamse scheepsbouw, maar bent u helemaal weg van de schilder Adolf Bock.

Wilt u uw steentje bijdragen aan de restauratie? Klik op onderstaande link en lees hoe dat kan: http://www.maritiemmuseum.nl/website/index.cfm?itm_id=267.
De familie Burgerhout heeft al een groot bedrag toegezegd, helpt u met de rest! We zien u dan graag bij de presentatie van de gerestaureerde schilderijen in het voorjaar van 2013!

woensdag 6 juni 2012

Shit happens


“Wist jij dat de voorvader van kapitein Schettino* een scheepswerf heeft gehad?” Vraag van collega Marcel, die een stapeltje foto’s uit de collectie voor zich op zijn bureau heeft liggen. Het zijn foto’s van de geruchtmakende tewaterlating van het stoomschip ‘Principessa Iolanda’ van de Società Lloyd Italiano op 22 september 1907 in Riva Trigoso bij Genua. De ergste nachtmerrie van een scheepsbouwer en van een reder: een tewaterlating die naadloos overgaat in een scheepsramp. Je legt de foto’s naast elkaar en je ziet het drama zich voltrekken. De eerste foto’s laten zien hoe het schip – het grootste tot dan toe in Italië gebouwd – van de helling glijdt en in het water terechtkomt. So far, so good.

Op de derde foto zie je het trotse gevaarte al enigszins naar bakboord overhellen. Op foto vier zie je het helemaal fout gaan en twee foto’s later constateer je dat het niet meer goed komt: het schip rolt niet meer terug, maar kapseist en uiteindelijk ligt de ‘Principessa Iolanda’ op foto zeven alleen met de bakboordzijde van de romp boven water. En dat alles voor de ogen van de uitgenodigde prominenten, directies en personeel van werf en rederij, het toegestroomde publiek en de aanwezige pers.

Daarmee kwam een ontijdig einde aan wat de trots van de Italiaanse scheepsbouw had moeten worden. Rekenfouten in de constructie en een combinatie van verkeerd ballasten en openstaande patrijspoorten tijdens de tewaterlating, maakten van de ‘Principessa Iolanda’ de ‘Wasa’ van de twintigste eeuw. Die bracht het echter nog tot haar maiden voyage en dat was de ‘Principessa Iolanda’ niet gegund.
De verleiding is groot om je over te geven aan allerlei bespiegelingen omtrent de wankele situatie van de Italiaanse maatschappij in het algemeen en de Italiaanse scheepsbouw en koopvaardij in het bijzonder. En wie daarvoor allemaal verantwoordelijk zijn. Hoewel daar in dit geval alle reden toe was, zullen we dat maar niet doen. Eén kapitein Schettino is wel genoeg. Laten we het gebeurde maar rangschikken onder de categorie shit happens.

* voor wie het even niet meer paraat heeft: de kapitein van het op 13 januari 2012 gekapseisde cruiseschip ‘Costa Concordia’ (zie mijn blog van 16 januari 2012)
Zie voor een gedetailleerd verslag: https://sites.google.com/site/mafaldasinking/the-principessa-jolanda---a-forewarning

donderdag 31 mei 2012

Groeten uit Moddergat


Niets blijkt moeilijker te zijn dan het verzinnen van een originele naam voor je schip. Ga maar eens een tijdje rondhangen op een van de bruggetjes over de Rotte, of slenter maar eens een uurtje stroomafwaarts langs de Maas: tien tegen één dat je bij de Rotte scheepsnamen tegenkomt als '’t Kon Amper', 'Corrie II', 'Moeders Droom' of (actueel!) 'Titanic'. Langs de Maas en de Nieuwe Waterweg vind je dan weer namen als 'Zagri 23', 'Trader of the Seas' of 'Baltic Energy'. Daar loop je als bootjesliefhebber niet warm voor.
Ook in vroeger tijden werd geworsteld met de vraag hoe je je schip moest dopen. Veel fantasie kwam daar vaak echter niet aan te pas. Dat bleek maar weer eens op een onverwachte plek, namelijk op de Waddendijk bij Moddergat. Vraag in Rotterdam aan een willekeurige voorbijganger of hij weet waar Moddergat ligt en je wordt glazig aangestaard. Vraag het aan een kenner van de Nederlandse visserij en hij begint direct over de grote ramp van 6 maart 1883, toen bij een zware storm vrijwel de gehele vissersvloot van dit Friese vissersplaatsje ten onder ging. Zeventien schepen vergingen, 83 bemanningsleden lieten het leven en Moddergat werd in armoede en rouw gedompeld.
75 jaar na de ramp werd op de dijk een stenen gedenkteken opgericht. Later werd er een aantal stenen tafels bijgeplaatst, met daarin uitgehakt de namen van de schepen en de verdronken opvarenden. En als je daar staat en die namen leest, kom je tot de conclusie waarmee dit stukje begon. Lees even mee: de ‘Vrouw Trijntje’, de ‘Nooitgedacht’, de ‘Zeldenrust’, ‘De Klopper’, ‘De Jonge Willem’, een tweede ‘Nooitgedacht’, ‘De Twee Gebroeders’, ‘De Vier Gebroeders’, ’De Jonge Dirkje’, ‘De Twee Gezusters’, ‘De Jonge Wealtjes’, ‘De Vier Gezusters’, nogmaals ‘De Twee Gebroeders’, alwéér ‘De Twee Gebroeders’, ‘De Drie Gebroeders’, ‘De Vrouw Jeltje’ en ‘De Jonge Marten’. Dat zijn heel wat broers en zussen bij elkaar!
Familierelaties, wensdromen en gemoedsstemmingen – Zeldenrust, Nooitgedacht – vormden klaarblijkelijk de grootste inspiratiebron voor schippers bij het bepalen van de naam van hun schip. Net als tegenwoordig bij de bootjes op de Rotte. Het meest navrante voorbeeld van een in een scheepsnaam vervatte wens is echter fictief: de logger ‘Op Hoop van Zegen ’uit het gelijknamige toneelstuk van Herman Heijermans, geschreven zeventien jaar na de ramp in Moddergat. Meer nog dan die ramp staat Heijermans’ drama model voor de maatschappelijke misstanden en de armoede onder de visserlui aan het eind van de negentiende eeuw. Vandaar dat de uitdrukking “De vis wordt duur betaald” bekender is geworden dan de tekst op het Moddergatse monument – maar die is dan ook in het Fries!
Meer weten over Moddergat? Zie: www.paesens-moddergat.nl en www.museummoddergat.nl

vrijdag 27 april 2012

Pauline’s choice: “Schele Henkie”

Sinds een goed jaar is schilderijenrestaurator Pauline Marchand elke vrijdag in huis om de collectie schilderijen na te lopen, conditiebeschrijvingen te maken en diverse handelingen te verrichten die zo mooi kunnen worden samengevat onder de noemer “preventieve conservering”. Die term moet bij voorkeur op enigszins gewichtige toon worden uitgesproken, onder het werpen van een blik vol van verstandhouding. Op die manier kan zelfs de grootste scepticus tot de overtuiging worden gebracht dat preventieve conservering van cultureel erfgoed – na het bewaren van de wereldvrede – toch wel de grootste weldaad is die een individu de mensheid kan bewijzen. Belangrijk en nuttig werk is het zeker, maar zoals zo vaak is de praktijk een stuk prozaïscher dan de omschrijving doet vermoeden. Pauline haalt de schilderijen uit de lijst, verwijdert het oppervlaktevuil, voert zo nodig kleine reparaties uit en maakt een schatting van het aantal uren voor restauratie. Vervolgens zet ze de schilderijen opnieuw in de lijsten, die door haar van nieuwe ophangogen wordt voorzien. Op speciale formulieren noteert ze of het schilderij dringend moet worden gerestaureerd of niet en of het in de huidige toestand in bruikleen kan worden gegeven. En geheel gratis en voor niets levert ze commentaar op vroegere restauraties waarbij schilderijen bijna of definitief geheel verknoeid zijn. Dankzij dit project manier krijgt het Maritiem Museum een goed beeld van de toestand van de schilderijencollectie en kan het museum de juiste prioriteiten stellen bij het restauratieprogramma.
De wekelijkse selectie van schilderijen wordt altijd gemaakt door conservator Irene Jacobs, maar voor de verandering mocht Pauline afgelopen week zelf haar klantjes kiezen. En tot niet geringe vreugde van Irene en van yours truly zat daar Schele Henkie bij: het door Charles Kemper in 1949 geschilderde portret van een nachtwaker van de Holland-Amerika Lijn. Eigenlijk heet de geportretteerde man helemaal geen Henkie – eigenlijk weten we überhaupt niet hoe hij heet. Maar we zijn (bijna) allemaal dol op hem. Met zijn loensende blik en zijn wat triestige uitstraling onder die veel te grote pet heeft de man iets ontwapenends. Iemand die in de marge van de scheepsbouw en scheepvaart in de nachtelijke uren zijn brood verdiende en over wie waarschijnlijk in het geheel geen sterke verhalen te vertellen zijn. Een mooie tegenhanger naast de portretten van vlootvoogden, kapiteins en andere stoere zeelui in onze collectie!