dinsdag 21 december 2010

Gedver...!



Vorige week was yours truly de hekkensluiter bij de collegereeks van de Museumjeugduniversiteit, een serie van vier lezingen door medewerkers van het Maritiem Museum voor jonge weetgierigen tussen 8 en 12 jaar. Mijn collega’s hadden zich de afgelopen maanden al gebogen over vragen als “Had de VOC een TomTom aan boord?" en "Heeft elke piraat een houten been?". Ik zou de jonge studentjes onderhouden over de vraag "Ratten aan boord / muizen in een museum?" Zondag- en donderdagmorgen tweemaal vijfentwintig kinderen in de Zadkinezaal: het is wel even wennen als je zelf al uit de kleine kinderen bent en je bij lezingen vaak een publiek van senioren voor je neus hebt.
De kindertjes werden bijgepraat over alle gevaren die een museumcollectie kunnen bedreigen: van plaagdieren tot valpartijen bij transporten, van ideale klimatologische omstandigheden tot gespecialiseerd restauratiewerk. Om het verhaal aanschouwelijk te maken had ik een powerpointpresentatie in elkaar gezet en een keur aan voorwerpen meegenomen, variërend van beschadigde en gerestaureerde voorwerpen en klimaatapparatuur tot een ultraviolette lamp om de retouches op een schilderij te bekijken.
Mijn vroegere hoogleraar museologie had het altijd over “der Lust zum Grauen” – de behoefte om eens lekker te griezelen – als sleutel tot een succesvolle presentatie. En ook dit keer lukte dat: met detailfoto’s van papiervisjes krijg je zelfs de sterkte magen aan het draaien!
De collegereeks kreeg als geheel het cijfer 8,75 – een resultaat waarmee het museum zeer tevreden is. En het college over de ratten en muizen kreeg van die reeks de hoogste waardering, maar dat is niet alleen míjn verdienste: nadat op zondag de computer met daarop de presentatie al binnen tien minuten twee keer op zwart ging, hebben we het college voortgezet in het depot. En dat is altijd een winner!

Ben je ook lid van de doelgroep en heb je belangstelling voor dergelijke colleges? Of zijn uw (klein)kinderen er misschien in geïnteresseerd? Ga naar www.museumjeugduniversiteit.nl en meld je/ze aan!

vrijdag 3 december 2010

Zeevisserij op het Amsterdam-Rijnkanaal

Afgelopen week was ik op een tweedaagse cursus bij het softwarebedrijf dat het programma voor onze collectieregistratie heeft geleverd. Om “onder de motorkap” te kunnen kijken van het programma moet je meer weten dan de gemiddelde gebruiker, die zich beperkt tot invoeren, aanvullen en raadplegen van de collectieinformatie. Vandaar de cursus. Twee dagen lang werden we met een kleine groep collega’s van andere musea uit Nederland en België ingewijd in de geheimen van het basale programmeerwerk – aan het hogere programmeerwerk waren we nog lang niet toe. Hoe kun je het programma aanpassen aan de specifieke wensen en eisen van jouw museum? Hoe maak je velden in je database aan? En vooral: hoe pas je iets aan in het programma zonder direct onherstelbare schade aan te richten? Dat is niet zo gemakkelijk, want een knop “bewerking ongedaan maken” zit er niet op… Het is net als met autorijles: je moet na twee lessen niet de indruk hebben dat je al een volleerd chauffeur bent. Na afloop van de cursus moet je dan ook flink oefenen om beter thuis te raken in het programma en niet gelijk voor de verleiding bezwijken om te veel ineens aan te passen.
Even opkijkend van de computer wierp ik een blik op het nabij gelegen Amsterdam-Rijnkanaal. Tot mijn verbazing kwam daar opeens een Zeeuwse schelpenkotter voorbijvaren, stroomafwaarts richting Amsterdam. Het was de Yerseke 86 ‘Jacomina’, gebouwd in 1989 en met gestreken masten klaarblijkelijk onderweg naar een werf voor onderhoud. Vreemd gezicht: een zeegaande kotter op een inlandse scheepvaartroute – zoiets als een vrachtwagen op een fietspad.
Al met al tóch nog iets maritiems tijdens zo’n cursusdag!

vrijdag 5 november 2010

Herkent u ‘m nog?


Vanmorgen samen met collega Irene Jacobs op bezoek geweest bij restauratrice Annetje Roorda Boersma, die bezig is met de restauratie van het schilderij van Thomas Luny (zie mijn blog van 18 december 2009). Inmiddels is de vergeelde vernislaag voor het grootste deel verwijderd en dat is altijd een spectaculair gezicht. Het is net alsof er een vergeelde vitrage is weggetrokken en het schilderij er in al zijn frisheid achter tevoorschijn komt.
Niet alleen in al zijn frisheid: ook diverse beschadigingen en retouches worden beter zichtbaar en zelfs meer dan dat. Een schilder kan zich bij het schilderen ook wel eens bedenken en een stukje van de voorstelling weghalen of overschilderen. Pentimenti heten zulke verbeteringen – van het Italiaanse pentirsi of berouw hebben. Zo blijkt de vlag van het schip aan de rechterkant gedeeltelijk te zijn overschilderd. Dat hadden we niet gezien toen de vernislaag nog op het schilderij zat!

Met Annetje en haar medewerkster Johanneke wordt overlegd over de verdere stappen die bij de restauratie moeten worden genomen. Sommige later aangebrachte retouches zijn tamelijk hardnekkig en moeilijk te verwijderen. Ook zijn sommige delen van de lucht merkwaardig verkleurd; de vraag is wat “we” daaraan moeten en kunnen doen. De restauratrices wikken en wegen, adviseren en tenslotte hakken we gezamenlijk de knoop door.
Je leert veel van dergelijke atelierbezoeken. Door de ogen van de restaurator kijk je niet alleen maar naar “het plaatje”, maar ook naar de toestand van het schilderij. Je ziet als het ware de levensloop van het werk nadat het door de schilder was voltooid. Als je een schilderij aanlicht met een ultraviolette lamp, zie je pas goed hoeveel overschilderingen er soms op een voorstelling zitten. Zo’n schilderij kan behoorlijk hebben geleden onder vroegere restauraties en soms moet je tot de conclusie komen dat een eerdere ingreep niet meer ongedaan kan worden gemaakt.
Zo erg is het bij dit schilderij gelukkig niet. En als we voor vertrek nog even een blik mogen werpen op een ander schilderijtje uit onze collectie, dat – gerestaureerd en wel – ligt te wachten totdat het door onze depotbeheerder wordt opgehaald, dan word je helemaal vrolijk!

Brabants erfgoed en Bossche bollen


Twee keer per jaar ga ik terug naar mijn Brabantse museale "roots". Als uitvloeisel van mijn vroegere werkkringen bij twee Brabantse musea in de jaren tachtig en negentig heb ik zitting in de commissie Subsidie Basistaken Musea. Dat is een adviesorgaan van Erfgoed Brabant, dat beslist over subsidieaanvragen van Brabantse musea op het gebied van aankopen, restauraties en andere activiteiten die het functioneren van musea kunnen verbeteren. De commissie bestaat uit drie personen uit “het museumveld”, onder wie yours truly. Tweemaal per jaar krijgen de commissieleden een hele stapel subsidiedossiers toegestuurd, die ter vergadering worden besproken. De consulenten van Erfgoed Brabant geven zo nodig toelichting, waarna de commissie een besluit neemt over de toekenning van subsidies.
Het zijn altijd plezierige bijeenkomsten, waarbij je ook een hoop opsteekt en goede tips krijgt die je bij je eigen werk ook kunt toepassen. Een bonte stoet van aanvragen passeert de revue; rijp en groen komt langs. Soms voor een overzichtelijk bedrag voor een enkele aankoop of restauratie, maar niet iedereen is even bescheiden. Zo was daar deze keer een aanvraag van een museum dat uitsluitend in de weekends open is en op jaarbasis circa 2000 bezoekers ontvangt. Het museum vroeg subsidie aan voor de aanschaf van diverse presentatietechnische toeters en bellen, die zelfs in het Maritiem Museum niet zouden misstaan. Het gevraagde bedrag beliep maar liefst meer dan een halve ton…

En dan, als de vergadering is afgelopen en het museaal cultureel erfgoed van Noord-Brabant weer voor een half jaar met extra financiële ondersteuning is veiliggesteld, volgt steevast het traditionele bezoek aan bakker Jan de Groot aan de Stationsweg. Jan de Groot: de bakker van de Echte Bossche bollen, de bakker bij wie de rij klanten steevast tot buiten de winkel op het trottoir staat en waar de bollen (echte Brabanders spreken over chocoladebollen – met de klemtoon op de voorlaatste lettergreep – niet over Bossche bollen) bijna sneller worden verkocht dan ze kunnen worden gemaakt. Overheerlijk, maar ze staan in de maag. Nuttig ze dus met beleid.
Over Brabants cultureel erfgoed gesproken…

Zie: www.erfgoedbrabant.nl; www.bosschebollen.nl

vrijdag 8 oktober 2010

Nieuwe naam – vertrouwde gezichten




Ook de kunstsector ontkomt niet aan globalisering. Een landelijk bekend en internationaal opererend kunsttransportbedrijf is een tijdje geleden door een buitenlandse fine art logistics company overgenomen en op 1 oktober jongstleden definitief van naam veranderd. Dat is wel even wennen als je opeens een wagen van een voor jou onbekend bedrijf voor ziet rijden voor een transport. Ook de bedrijfspolo’s zijn veranderd, maar de medewerkers gelukkig niet. Vanmorgen kwamen ze twee globes ophalen die moeten worden gerestaureerd. Dat geeft nogal wat gedoe, want de restaurator die ze moet behandelen woont in Londen. Met die restauratrice, Sylvia Sumira, doet het Maritiem Museum al een aantal jaren zaken. Zo’n tien jaar geleden is ze een kleine week hier geweest om al onze globes aan een onderzoek te onderwerpen en om restauratievoorstellen te schrijven. Daaruit is een werkrelatie gegroeid, die inhoudt dat we een pendeldienst op touw hebben gezet tussen Rotterdam en Londen. Het ene stel globes wordt gebracht om te worden gerestaureerd en een ander stel inmiddels gerestaureerde globes wordt opgehaald en weer bij het museum afgeleverd.
De globes moeten reizen en dus moeten ze goed worden verpakt. Ze zijn al aan een opknapbeurt toe, maar dat betekent niet dat ze nog meer schade moeten oplopen. Dat verpakken gebeurt in eendrachtige samenwerking tussen onze papierrestaurator Frank Götz en de medewerkers van het transportbedrijf. Met veel schuimrubber of PE (van polyethyleen), zuurvrij vloeipapier en kussens met polystyreenkorrels, fillers genoemd – u merkt, we kijken niet op een vakterm – wordt in een transportkist een bedje gemaakt, waarin de globes comfortabel de overtocht naar Engeland kunnen doorstaan. De uitdrukking think global is in dit geval wel erg toepasselijk.
Vertrouwde dienstverlening onder een andere naam: alles went, ook voor de medewerkers – hoewel we ons af en toe nog wel spontaan in de bedrijfsnaam vergissen. Een traditie van jaren wis je niet zo maar uit…

donderdag 30 september 2010

Achtduizend negenhonderdacht


8908 – dat is het aantal kilometers dat Rotterdam scheidt van haar zusterstad Shanghai. Die wetenschap heb je uiteraard niet altijd paraat, maar wanneer je in Hoek van Holland ter hoogte van strandpaviljoen Millionairs de duinen overgaat kom je een grote richtingaanwijzer tegen die je met je neus op dit feit drukt. En dan slik je wel even, zeker als je beseft dat je binnen het museum aan het overleggen bent over de tentoonstelling Yin & Jan, die volgend jaar in het Maritiem te zien zal zijn en die daarna moet doorreizen naar Shanghai. De tentoonstelling heet voluit Yin & Jan. China en Nederland door scheepvaart verbonden. Een prestigieus project, maar daar zijn wij van het Maritiem niet beducht voor – door de wol geverfd als we zijn. Een tentoonstelling met een counterpart aan de andere kant van de aardbol levert niettemin de nodige haken en ogen op. Neem alleen al de organisatie van het bruikleenverkeer: de tentoonstelling telt een aantal topstukken uit diverse collecties en die moeten straks ook naar Shanghai toe. Onze collega’s van het pasgeopende China Maritime Museum zijn weliswaar volleerde professionals, maar de gebruikelijke dingen als vooraf even een kijkje nemen waar de objecten moeten komen te staan, een tussentijds bezoekje brengen om het eigen gemoed te sussen en gezellig een glaasje met elkaar drinken op de goede afloop liggen minder voor de hand dan bij een zusterinstelling in Europa. En dan hebben we het nog niet eens over de risico’s van het transport – overleeft een achtttiende-eeuws scheepsmodel een intercontinentale vlucht? –, het tijdsverschil en de taal- en cultuurbarrière.
Toch “gaat het museum de uitdaging aan” zoals dat zo mooi heet. En eerst maar eens die tentoonstelling in het Maritiem realiseren. Maar even slikken in Hoek van Holland was het wél.

Yin & Jan. China en Nederland door scheepvaart verbonden is te zien in het Maritiem Museum Rotterdam van 2 april 2011 tot en met 4 maart 2012.

woensdag 22 september 2010

De stille kracht(en)




Zoals de internationale kunstwereld Gilbert & George heeft, de modewereld Victor & Rolf en de beeldverhalen van Kuifje Jansen & Janssen, zo heeft het Maritiem Museum ook zijn eigen duo’s. Eén van die tweetallen is Joop & Joop – voluit Joop van den Berg en Joop de Haas. Beiden maken deel uit van het gestaag groeiende leger van vrijwilligers die een bijdrage leveren aan de registratie van de collectie. Zoals veel vrijwilligers hebben ze in hun jonge jaren gevaren: Joop I bij Van Nievelt Goudriaan & Co, Joop II bij de Holland Amerika Lijn. Daarna hebben ze hun loopbaan aan de wal vervolgd en inmiddels horen ze bij wat zo mooi de “post-actieven” wordt genoemd. Nou: post-actief zijn ze allerminst en het museum is zeer in zijn nopjes met de kennis en ervaring die ze ten bate van de collectie inzetten. Beiden zijn behept met een grote mate van volharding en speurzin, waardoor talloze wetenswaardigheden over de collectie technische tekeningen (via Joop I) en de fotocollectie (via Joop II) in het registratiesysteem worden vastgelegd. Via de website Maritiem Digitaal komen deze gegevens ook beschikbaar voor onze digitale bezoekers. En dat alles dankzij de stille krachten achter de collectieregistratie. Laat de pensionado’s maar schuiven!